Visie

  
 

Visie op het Wetenschappelijk Onderwijs en Onderzoek

WOinActie, januari 2026

 

Inleiding

In deze visie geeft WOinActie aan hoe ze de universiteit in Nederland idealiter ziet. Deze visie wordt gedragen door degenen die actief zijn binnen en voor WOinActie. De visie dient als uitgangspunt bij het opstellen van statements en andere publieke uitingen en bij gesprekken met partnerorganisaties, bestuurders en media.

De universiteit

De universiteit is een instituut dat als doel heeft om onderzoek te doen en onderwijs te geven, om zo bij te dragen aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Wetenschappelijk onderzoek helpt om de samenleving te duiden, te interpreteren en te verrijken. Het onderwijs vloeit voort uit en is gebaseerd op onderzoek en richt zich op academische vaardigheden, zoals kritisch denken en analyseren op basis van een beargumenteerde en transparante methodologie en zorgvuldige analyse van evidentie. Zo worden studenten opgeleid tot nieuwsgierige en kritische burgers en professionals.

Wetenschap begrijpen we als kennis die wordt ontwikkeld door het doen van onderzoek en door middel van dialoog tussen wetenschappers, maatschappelijke partners en burgers. Kennis wordt ontwikkeld via een rijke waaier aan wetenschappelijke methoden die transparant en controleerbaar zijn en waarvoor wetenschappers zich verantwoorden.

Het doel van wetenschap is een voortschrijdende kennis van de wereld (waaronder de samenleving) en van dat wat deze wereld (waaronder onze democratie, welvaart en welzijn) kan bedreigen, beschermen en bevorderen. Daarvoor is fundamentele en toegepaste kennis noodzakelijk, als ook reflectie op onze kennis, wetenschapspraktijk en samenleving.

Dit doel vraagt om een rijkheid aan disciplines in geesteswetenschappen, sociale wetenschappen en bètawetenschappen.

De universiteit is een onafhankelijke organisatie, die zelfstandig en zonder inmenging van buitenaf besluit wat er onderzocht en onderwezen wordt, met inachtneming van de wet en verplichtingen jegens wetenschap en samenleving. Alleen een onafhankelijke universiteit die adequaat wordt gefinancierd kan een waarborg bieden voor onafhankelijk onderzoek. De universiteit is geen bedrijf en heeft geen winstoogmerk. Onafhankelijkheid betekent dat (de schijn van) belangenverstrengeling wordt vermeden en dat de financiering van universiteiten voldoende is om onafhankelijk van externe bedrijven en organisaties onderzoek te doen.

Het betekent ook dat in de samenwerking en co-creatie van kennis met maatschappelijke partners en burgers gereflecteerd dient te worden op hoe deze onafhankelijkheid te borgen.

Om de academische vrijheid en de onafhankelijkheid van universiteiten en hun onderzoek en onderwijs te beschermen, moeten deze grondwettelijk worden vastgelegd.

Onderwijsaccreditaties en onderzoeksvisitaties waarborgen de kwaliteit van het onderwijs en het onderzoek. De universiteit legt daarnaast verantwoording af jegens de samenleving middels wetenschappelijke en vakpublicaties, waarin de relevantie van het onderzoek en het daarop gebaseerde onderwijs wordt beargumenteerd. Ook delen wetenschappers hun kennis via publieke optredens en waar relevant in samenwerking met organisaties en bedrijven.

Een landelijk orgaan vertegenwoordigt de universiteiten richting politiek en samenleving. Dit orgaan bestaat uit een vertegenwoordiging uit het hoogste gremium van elke universiteit en uit vertegenwoordigers van universiteitsraden van elke universiteit.

De universiteit is een internationale gemeenschap van onderzoekers, docenten, ondersteuners en studenten. De universiteit is erop gericht deze gemeenschap te laten floreren op basis van vertrouwen in de medewerkers en studenten. De universiteit is ook een open, publieke instelling, die burgers verwelkomt om deel te nemen en bij te dragen.

Wetenschappers committeren zich aan het doen van onafhankelijk onderzoek dat zij in vrijheid uitoefenen en waarover zij vrijuit kunnen communiceren. De universiteit spant zich in om de vrijheid van spreken van wetenschappers te beschermen. De universiteit biedt een veilige plek voor de open uitwisseling van kennis en ideeën, voor alle wetenschappers, studenten en andere medewerkers, zowel beginnend als gevorderd. De universiteit zorgt voor voldoende waarborgen voor de veiligheid van medewerkers, zoals richtlijnen, vertrouwenspersonen en transparante procedures rond meldingen van onveiligheid. Discussie vindt plaats op basis van inhoudelijke argumenten en niet op basis van senioriteit of andere persoonskenmerken. De universiteit is vrij van racisme, seksisme en discriminatie in welke vorm dan ook. De universiteit zet zich actief in om alle vormen van discriminatie tegen te gaan.

Kansengelijkheid is een groot goed. Universiteiten zijn inclusieve instellingen die actief ruimte bieden aan studenten en medewerkers uit gemarginaliseerde groepen. Iedereen moet zich kunnen kwalificeren om aan een universiteit te kunnen studeren. Dat betekent onder andere dat de aansluiting van MBO naar HBO naar universiteit goed georganiseerd moet zijn, zodat mensen kunnen doorstromen.

De universiteit is ook een organisatie die zichzelf begrijpt als organisatie in de maatschappij en derhalve een rechtvaardig bestuur en rechtvaardige bedrijfsvoering nastreeft als onderdeel van haar verplichtingen jegens de samenleving.

Taken van de universiteit

De universiteit heeft drie hoofdtaken: het faciliteren van wetenschappelijk onderzoek; het geven van daarop gestoeld onderwijs; en het delen van kennis met de samenleving.

Aan de universiteit doen alle wetenschappelijke medewerkers onderzoek. Uitgangspunt voor de wetenschapsbeoefening aan de universiteit is de nieuwsgierigheid van wetenschappers zelf. Dit kan leiden tot fundamenteel onderzoek of onderzoek specifiek gericht op maatschappelijke uitdagingen en behoeften. Bij die tweede is de vraag welke kennis (in Nederland) nodig is voor het welzijn en de welvaart van de Nederlandse bevolking, voor en in relatie tot Europa en de rest van de wereld, nu en in de toekomst, leidend.

Onderzoek vormt de basis van het onderwijs. Docenten onderwijzen op basis van en over hun eigen expertise en onderzoek. Dit betekent dat het onderzoek leidend is voor de opleidingen en vakken die worden gegeven. De universiteit leidt op tot kritische en analytisch sterke individuen, met ruime kennis over hun vakgebied en brede onderzoeksvaardigheden, die goed in teamverband kunnen werken. Studenten hebben recht op goede, transparante en integere begeleiding, waarbij zij leren omgaan met oprechte feedback. Er is een heldere en bespreekbare normering voor het aantal uren dat nodig is voor de verschillende onderwijstaken. Persoonlijk contact tussen docenten en studenten is een cruciaal ingrediënt van het wetenschappelijk opleiden.

Docenten krijgen voldoende tijd om studenten die extra begeleiding nodig hebben, die te geven.

De universiteit geeft kennis door aan de samenleving middels onderwijs, middels wetenschappelijke en vakpublicaties en middels deelname van onderzoekers aan het publieke debat. Ook valorisatie-activiteiten, zoals start-ups, wetenschappelijk advies en co-creatie, zijn manieren om kennis te delen met de samenleving. Publiek gefinancierde kennis wordt zo veel mogelijk publiek beschikbaar gesteld via open access publicaties. Ook wordt waar mogelijk andere onderzoeksoutput openbaar gemaakt, zoals data en software.

Organisatie van de universiteit

Alle bestuursorganen worden gevormd door leden van de gemeenschap. Het bestuur van de universiteit gebeurt zo transparant mogelijk. De universiteiten worden bestuurd volgens een democratisch principe, waarbij zeggenschap over onderzoek en onderwijs primair in handen ligt van inhoudelijk professionals en alle leden van de gemeenschap een rol kunnen spelen in het bestuur. Het bestuur wordt decentraal geregeld, waarbij elk gremium een grote mate van onafhankelijkheid heeft, die samengaat met verantwoordelijkheid en verantwoording jegens de medewerkers en aanpalende gremia.

Om de democratie aan de universiteit te bevorderen, worden de belangrijkste functies via verkiezingen ingevuld, om te beginnen die van het College van Bestuur. Voldoende doorstroming in bestuursfuncties is essentieel voor een gezonde organisatie. Bestuurders van universiteiten en faculteiten en leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een vaste termijn van maximaal 4 jaar. Deze termijn mag maximaal één maal verlengd worden, waarbij de bestuurder opnieuw dient te solliciteren op de functie en waarbij ook andere leden van de gemeenschap de kans krijgen te solliciteren of zich verkiesbaar te stellen. Na het vervullen van een bestuursfunctie, keren betrokkenen terug naar een functie binnen de universiteit, zodat voortdurende betrokkenheid bij de werkvloer wordt gestimuleerd. Elke bestuursfunctie kan in principe deeltijd worden uitgevoerd.

Alle gremia zorgen voor een open communicatie met de medewerkers die zij vertegenwoordigen en voldoende ruimte voor discussie en tegenspraak. Daarnaast wordt verantwoording afgelegd over bestuurlijke beslissingen naar de gemeenschap toe. Bij ingrijpende beslissingen worden interne referenda of peilingen gehouden.

Wetenschappers werken aan universiteiten aan onderzoek en onderwijs. In de organisatie van het onderwijs is een reële taakopdracht met een adequaat aantal uren voor verschillende onderwijstaken leidend, zodat structureel onbetaald overwerk wordt voorkomen en onderzoek in principe uitgevoerd kan worden binnen de werkweek. Medewerkers met coördinatie- en bestuurstaken alsmede medewerkers in medezeggenschapsorganen krijgen voldoende specifieke uren voor dit werk toebedeeld.

Om de duurzame inzet van medewerkers en van de kwaliteit van het onderwijs te bevorderen, worden arbeidsovereenkomsten zo veel mogelijk aangegaan op basis van onbepaalde tijd. Het aandeel personeel met een tijdelijke aanstelling wordt beperkt tot wat nodig is voor taken die inherent een tijdelijk karakter hebben, zoals promotie- en postdoconderzoek en vervanging bij zwangerschap of langdurige ziekte. Ook personeel met een tijdelijke aanstelling heeft onderzoekstijd, die contractueel wordt vastgelegd, zodat op zijn minst de wetenschappelijke literatuur over het vakgebied kan worden bijgehouden. De contractuele onderzoekstijd van medewerkers wordt gefinancierd vanuit de eerste geldstroom.

Promovendi zijn volwaardige medewerkers van de universiteit. Zij hebben inspraak in het onderwerp, de probleemstelling en de methode van hun promotieonderzoek. Hun onderzoek voeren zij onafhankelijk en in vrijheid uit. Als zij binnen een onderzoeksproject werkzaam zijn, krijgen zij ruimte om wetenschappelijke keuzes te maken. Naast de hoofdtaak onderzoek dragen promovendi voor max. 10% bij aan onderwijs en hebben zij ruimte om cursussen te volgen. Promovendi hebben minstens twee begeleiders en hebben waar mogelijk inspraak in wie hun begeleiders zijn. Indien gewenst en voldoende onderbouwd, kan tijdens een promotietraject van begeleider worden gewisseld. Promovendi hebben een mentor in de vorm van een universitair docent, universitair hoofddocent of hoogleraar in een ander organisatiedeel of een daartoe aangestelde coach of coördinator, die de promovendus moreel en praktisch kan steunen en kan bemiddelen als er problemen zijn.

Universiteiten hebben een helder en open beleid rond loopbaanontwikkeling. Met elke medewerker wordt jaarlijks besproken hoe die eruit ziet, waarin duidelijk wordt wat de mogelijkheden en verwachtingen zijn. Het uitgangspunt is dat iedereen uitzicht heeft op een loopbaan/carrière en dat er transparantie heerst over hoe die te ontwikkelen (loopbaanbeginsel). Deze gesprekken zijn altijd tweezijdig, waarbij de leidinggevende en de medewerker elkaar evalueren en feedback geven. Dit bevordert een goede werkrelatie tussen medewerker en leidinggevende. Daarnaast is het voor elke medewerker duidelijk waar zij/hij terecht kan/kunnen wanneer ze klachten hebben over de manier waarop deze gesprekken worden gevoerd.

Medewerkers aan de universiteit kunnen nevenactiviteiten uitvoeren. Voor zover deze activiteiten verbonden zijn met het werk aan de universiteit, mogen deze niet in strijd zijn met de waarden van de universiteit en de academische gemeenschap. Dergelijke nevenactiviteiten dienen de samenleving te dienen en de onafhankelijkheid van de universiteit en het onderzoek niet in gevaar te brengen. Medewerkers met een vaste en fulltime aanstelling dienen eventuele verdiensten uit dergelijke nevenwerkzaamheden terug te laten vloeien naar de universiteit ten behoeve van onderzoeksfinanciering.

Universiteiten hebben per faculteit een vertrouwenspersoon. Deze persoon is ingebed op een wijze die haar/hem/hen in staat stelt onafhankelijk te functioneren. Daarnaast wordt de landelijke functie van Hoger Onderwijs-ombudspersoon ingesteld. Deze ombudspersoon behandelt klachten over universiteiten als werkgever. De ombudspersoon is onafhankelijk, niet in dienst van een universiteit en kan gevraagd en ongevraagd advies geven.

Financiering van de universiteit

Wetenschappelijk onderzoek en onderwijs zijn een investering in de ontwikkeling van burgers, welzijn en welvaart, voor Nederland, Europa en de rest van de wereld.

De overheid zorgt via de eerste geldstroom voor adequate financiering van het wetenschappelijk onderzoek en onderwijs op basis van de daadwerkelijke kosten (inputfinanciering). Dit betekent dat voor alle wetenschappelijke medewerkers een bepaalde hoeveelheid onderzoekstijd wordt gefinancierd en dat het onderwijs wordt gefinancierd op basis van het aantal studenten dat aan onderwijs deelneemt. Outputfinanciering van onderwijs wordt stopgezet. Bij de verdeling van het budget wordt uitgegaan van een gelijkwaardig belang van geesteswetenschappen, sociale wetenschappen en bètawetenschappen. Bij de verdeling wordt ook rekening gehouden met de verschillen in kosten van verschillende soorten onderzoek en onderwijs.

De verantwoordelijkheid voor de verdeling van de onderzoeksgelden komt zoveel mogelijk te liggen bij de universiteiten. Iedere onderzoeker in Nederland (ook met een tijdelijke aanstelling) moet kunnen meedingen naar de beschikbare onderzoeksgelden. Daarbij dienen deelnemers een redelijk perspectief op een succesvolle aanvraag te houden. Voor in Nederland in competitie verworven financiering wordt een maximum ingesteld per hoofdaanvrager, zodat de financiering uiteindelijk verspreid wordt over een breder scala aan onderzoekers en onderzoeksgroepen.

Aanvraagprocedures worden niet onnodig gecompliceerd gemaakt. Beoordelingscommissies bestaan uit diverse relevante junior en senior experts. Indien meer projecten als geschikt zijn beoordeeld dan gefinancierd kunnen worden, wordt overgegaan op loting. De focus op ‘toptalenten’ wordt losgelaten, zodat een gelijker speelveld kan ontstaan voor alle onderzoekers en samenwerking centraal staat.

Financiering uit de derde geldstroom vereist waarborgen voor onafhankelijkheid. Deze financiering kan niet worden ingezet om die uit de eerste geldstroom te vervangen. Universiteiten voorkomen dat onderzoeksgebieden of -groepen afhankelijk zijn van derde-geldstroomfinanciering vanuit het bedrijfsleven.

Tot slot

WOinActie spant zich in om de in deze visie genoemde punten te vertalen in beleid van universiteiten, wetenschappelijke instellingen zoals NWO en KNAW en andere nationale en internationale organisaties op het gebied van onderwijs en onderzoek.

 
 
 
 
 
 

Reacties